Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0336

Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3521 WAO + 06/3522 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Na ziekmelding vanuit WW-situatie, weigering ziekengeld. Geschikt voor de in kader WAO geduide functies.


Uitspraak

06/3521 WAO + 06/3522 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2006, 05/4387 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 05/4389 (hierna: aangevallen uitspraak 2) in de gedingen tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 3 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting, waar beide hoger beroepen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 11 juni 2008. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is op 6 oktober 2003 uitgevallen voor haar werk als cateringmedewerkster als gevolg van rugklachten en klachten van het linkerbeen. Op 15 juni 2004 heeft zij een rugoperatie ondergaan. 1.2. Op 29 september 2004 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts E.M.C. Kirch-van Straaten. Deze concludeerde dat de klachten na de rugoperatie weliswaar waren verminderd, maar bij lange na niet waren verdwenen. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen met betrekking tot onder meer zitten, staan en rugbelastende handelingen. Deze beperkingen zijn in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegd. In de rapportage van 25 oktober 2004 geeft de arbeidsdeskundige F. Peters aan dat appellante ongeschikt is voor haar eigen werk, maar dat zij op grond van het inkomen dat zij zou kunnen verdienen met de aan haar voorgehouden functies minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 1 november 2004 heeft het Uwv geweigerd per 4 oktober 2004 aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen. 1.3. Tegen het besluit van 1 november 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt. 1.4. Op 18 januari 2005 heeft appellante, die op dat moment recht had op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, zich ziek gemeld per 13 december 2004. Bij besluit van 2 februari 2005 is aan appellante meegedeeld dat zij op en na 13 december 2004 niet ongeschikt is voor haar arbeid en geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. 1.4. Appellante is op 4 februari 2005 onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg. Deze heeft informatie ingewonnen bij de behandelend neurochirurg J.H.C. Voormolen en vervolgens de FML bijgesteld. Behalve de reeds door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen, stelde Momberg ook beperkingen met betrekking tot nekbelasting vast. Aan de hand van de gewijzigde FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige nieuwe functies geselecteerd, omdat de aanvankelijk geduide functies niet langer geschikt waren te achten. Het verlies aan verdiencapaciteit werd echter onveranderd op minder dan 15% vastgesteld. 1.5. In haar rapportage van 9 mei 2005 heeft bezwaarverzekeringsarts Momberg geconcludeerd dat appellante per 13 december 2004 geschikt moet worden geacht voor de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies van wikkelaar, loketbediende of weegmeester. 1.6. Bij besluit van 18 mei 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 november 2004 ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 18 mei 2005 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 februari 2005 ongegrond verklaard. 2. Bij aangevallen uitspraak 1 respectievelijk aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 respectievelijk bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. 06/3521 WAO 3. In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is de vraag aan de orde of de medische beperkingen van appellante correct zijn vastgesteld en of zij in staat kan worden geacht tot het verrichten van de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies. Met betrekking hiertoe overweegt de Raad als volgt. 4.1. Wat de medische aspecten van bestreden besluit 1 betreft, komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen zou zijn uitgegaan. Ook in hoger beroep heeft appellante geen informatie ingebracht, die aanleiding zou kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. 4.2. Dat op 9 december 2004 gemaakte röntgenfoto’s en een MRI-scan afwijkingen aan de rug te zien hebben gegeven, maakt dit niet anders. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat deze informatie is meegewogen door de bezwaarverzekeringsarts en dat deze, in navolging van de verzekeringsarts, aanzienlijke beperkingen met betrekking tot belasting van de rug heeft aangenomen. Verder acht de Raad van belang dat de behandelend neurochirurg Voormolen in zijn brief van 14 februari 2005 aangeeft dat uit de MRI-scan niet blijkt of, en in hoeverre, de mogelijk tussen de discus en boogvoet gecomprimeerde wortel L4 bdz. ook tot klachten leidt. 4.3. Wat de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit betreft, is de Raad van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht tot het verrichten van de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies. 4.4. De Raad is evenwel van oordeel dat het Uwv eerst in hoger beroep op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze heeft toegelicht waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante, nu pas in de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van 29 maart 2007 mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn gesignaleerd en toegelicht. 4.5. De Raad heeft verder geconstateerd dat uit de functieomschrijving dan wel de functiebelasting van magazijnmedewerker (sbc-code 315020) niet blijkt dat de volgens de FML vereiste afwisseling van houding mogelijk is. In de rapportage van 29 april 2008 heeft Diergaarde naar het oordeel van de Raad alsnog afdoende toegelicht dat er voldoende mogelijkheden tot afwisseling van houding zijn in deze functie. 5. De Raad komt tot de slotsom dat bestreden besluit 1 moet worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit kunnen, gelet op het onder 4.4 en 4.5 overwogene, echter in stand blijven. Nu het bestreden besluit 1 zal worden vernietigd, komt ook aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking. 06/3522 ZW 6. In het tegen aangevallen uitspraak 2 gerichte hoger beroep is de vraag aan de orde of appellante op en na 13 december 2004 in staat moet worden geacht tot het verrichten van haar arbeid, in dit geval ten minste een van de in het kader van de WAO-beoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies. Dienaangaande oordeelt de Raad als volgt. 7.1. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante onjuist zou zijn ingeschat. Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht die aanleiding geeft te concluderen dat haar beperkingen tussen 4 oktober 2004, de datum waaop de WAO-beoordeling betrekking heeft, en 13 december 2004, de datum die in het onderhavige hoger beroep in geding is, zodanig zouden zijn toegenomen dat zij niet langer in staat kan worden geacht tot het verrichten van een van de geduide functies. 7.2. Onder verwijzing naar het hiervoor onder 4.2 overwogene, is de Raad van oordeel dat ook uit de op 9 december 2004 gemaakte röntgenfoto’s en MRI-scan niet kan worden afgeleid dat de beperkingen van appellante op de datum in geding waren toegenomen. 7.3. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 terecht ongegrond heeft verklaard en dat aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd. 8. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv in het geding 06/3521 WAO te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- in hoger beroep, in totaal € 966,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt aangevallen uitspraak 1; Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Bevestigt aangevallen uitspraak 2; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008. (get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk. (get.) E.M. de Bree. MH